Gedichten,  Groenewegen, Johannes (1709 - 1764)

Jezus opgestaan

1. Zo treedt de Held ten grave uit,
En voert de dood als roof en buit,
Nu achter Zijne wagen.
Zo triumfeert Hij over dood
En graf en hel en laatste nood,
Zo komt de Zon opdagen.
De Levenszon, Die leven geeft,
Die nu in eeuwigheden leeft,
Om al Zijn volk volkomen
Van dood en graf te maken vrij,
In Hem een eeuwig leven zij,
De hel zijn kracht benomen.

2. Triumf, triumf, de bitterheid
Van dood en hel in eeuwigheid,
Voor ‘s Heeren volk geweken.
O, allerschoonste morgenstond,
Komt zielen, door uw ziel gewond,
De schuld is doorgestreken.
De Vader is geheel voldaan,
Gij moogt nu vrolijk troonwaarts gaan,
Kwitantie is geschreven.
De schuld is door uw Borg betaald,
Gena, genade zegepraalt;
Gij zult nu eeuwig leven.

3. Nooit was er groter zegepraal,
Nooit groter vreugd in ‘s hemels zaal,
De dood is nu verslonden.
Uw Brui’gom komt, verliefde bruid,
De dood ten trots, ten grave uit,
Van alle schuld ontbonden.
O dood, waar is uw hels geweld,
Waar is uw macht, gij ligt geveld,
Uw prikkel is ontnomen.
Wij zijn ‘t geweld des doods ontvloôn,
Onz’ Koning wint de levenskroon,
Het leven is gekomen.

4. Mijn grote Koning Jezus leeft,
Die mij het eeuwig leven geeft;
De helse machten beven.
Mijn Hogepriester Jezus leeft,
Die mij pardon en vrede geeft
En eeuwig, zalig leven.
Mijn Levensvorst, mijn Jezus leeft,
Die mij het zalig leven geeft,
O dood, gij zijt gestorven.
Mijn Heiland, mijne Goël leeft,
Die in mijn plaats het losgeld geeft,
En ‘t leven heeft verworven.

5. Mijn Borg Emmanuël, Die leeft,
De macht der helle voor Hem beeft,
Hij heeft de dood verslonden.
De dood is dood en eeuwig dood,
Mijn Jezus leeft, geen laatste nood
Kan nu mijn ziel verwonden.
Triumf, triumf, de dood is dood
En eeuwig dood, geen nood, geen nood,
Laat vrij de helle woelen.
‘t Zal eeuwig met ons wel vergaan,
Deez’ zegepilaar eeuwig staan,
De vijand zal het voelen,

6. Dat onze Koning Jezus leeft,
En naar de troon des hemels streeft,
Om Hem Zijn troon te storen.
O Jezus, nu Uw leven toont
En onze ziel met leven kroont,
Nu is de dag geboren
Van leven voor mijn dode ziel,
Die veel in onmacht neerviel,
Schier van de dood verwonnen.
O, zalig leven in ons Hoofd,
Die nu de draad van macht berooft,
O, zaal’ge Levenszonne.

7. Die in de vroege morgenstond,
Als Overwinnaar nu opstond,
De helse macht verslagen.
Triumf, triumf, de Koning leeft,
Triumf, triumf, de helhond beeft,
Gebonden aan een wagen,
Van deze Overwinnaar groot.
Triumf, triumf, de dood is dood
En eeuwig overwonnen.
Triumf, triumf, de Kruisheld leeft,
Hij overwon de dood en heeft,
Doen opgaan ‘s Levenszonne.

8. De dood nu overwonnen leit,
Nu leeft Gods volk in eeuwigheid
En zal geen dood aanschouwen.
Juicht op die overwinning al,
Uw vijand doet een eeuwige val,
Gij zijt bevrijd van rouwe.
Vreest nu geen bang’ en nare dood
En schrikt niet voor de laatste nood,
Die voert u in Gods woning.
Verlangt maar naar de eeuwigheid,
De vorst des doods gevangen leit,
Nu leeft uw grote Koning.

Johannes Groenewegen (1709 – 1764)

Melodie: Psalm 68

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *