Diversen,  Gedichten

De wereld

1. Wat druipt de wereld spoedig weg,
Die ieder zoekt met overleg,
Hoe spoedig is ’t verdwenen!
’t Is als de sneeuw die ras verdwijnt,
En voor een ogenblikje schijnt,
’t Is daar, en ’t is weer henen.

2. Och dwaze wereld! uw beslag,
Geeft niet dan weedom en beklag;
Als ’t weg is ’t schoon betover’;
Dan blijft niet over als het zwart,
Zo laat de wereldvreugd’ ons hart
Aan alle ellenden over!

3. Die dwaas ben ik ook van natuur,
Vol van datzelfde helse vuur,
Die drek kies boven spijze,
Die eeuwig duurt en eeuwig blijft,
Als al het and’re ras verdrijft;
Och wierd ik eenmaal wijze!

4. Daar druipt het weg, daar valt het af,
O wee! die daar zijn hart aan gaf!
O spel der ijdelheden!
O dwaasheid van ons, stof en as
Deez’ wereldvreugd verdwijnt zo ras,
’t Is spoedig weggegleden!

5. Waar is die schijn, waar is de glans,
Waar is die wereldvreugde thans,
Dat klinken van de schellen?
’t Is uit, ’t is uit, de doodsklok bromt,
Daar God met Zijn gerichten komt,
Aan onze huizen bellen!

6. Maar wee die dan te laat ontwaakt,
Als ’t Godsgericht ons hart genaakt,
Die niet is weêrgeboren?
Die hier geen and’re vreugde kent,
Dan daar de wereld hier naar rent,
Gaat als de sneeuw verloren!

7. Waar zijn die arrensleeën nu?
Waarvan ik uit genade gruw,
Naar ’t deel van God geboren.
Een ieder drijft dat hem behaagt,
Daar ieder zaad zijn vruchten draagt,
’t Zij winst of ’t zij verloren.

8. Een ogenblik en ’t is gedaan,
Wat blijft van ijs of sneeuw nog staan,
Als dooiing is begonnen?
Ach dwaze mens! dat is uw end!
Hoe spoedig komt voor vreugd ellende,
Wat hebt gij dan gewonnen?

9. Ach werd ik wijs door u gemaakt,
Dan werd die dwaze vreugd gestaakt,
Daar ‘k vaak nog aan blijf hangen;
Ach! dat ik los van stof en as
Gemaakt werd! want wie weet hoe ras
Er komen treurgezangen!

L.G.C. Ledeboer (1808 – 1863)

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.