Bunyan, John (1628 - 1688),  Gedichten,  Natuurgedichten

Van het kind met het vogeltje in het bos

Lief vogeltje, hoe kunt gij daar
Te midden van de doornen zingen?
Hebt gij geen oog voor het gevaar
Van al hetgeen u komt omringen?

Gij zijt gering slecht van waardij,
Wie wil vijf centen voor u geven?
Doch, lieve vogel! kom tot mij,
‘k Zal u behouden in het leven.

‘t Is waar, vandaag is ‘t zonneschijn,
Maar morgen kan ‘t weer anders wezen;
Indien gij slechts bij mij wilt zijn,
Dan hebt gij nergens voor te vrezen.

Gij wordt door koude ongesteld,
‘s Nachts komt de duisternis u dekken,
Des daags door katten vaak gekweld,
Om angsten bij u op te wekken.

Uw spijzen is vaak bijster schraal:
Met wormen moet ge u dikwijls voeden;
Bij mij vindt gij een goed onthaal,
Och, kom u dan toch tot mij spoeden.

‘k Voed u met melk en wittebrood;
Ook suiker kunt gij van mij krijgen;
Vrees niet, dat ik u weer verstoot,
Kom, wil nu toch niet langer zwijgen.

Mijns vaders huis wordt u ter woon,
Daar kunt gij vrolijk zitten zingen,
Daar is ‘t, geloof me, o zo schoon!
Daar zal de vreugde u steeds omringen.

‘k Leer u een wonderschoon gezang,
Ik leer u aangename wijzen,
En elk, die ik bij mij ontvang,
Zal u gewis deswegen prijzen.

‘k Beveilig u voor hond en kat,
Gevaar hebt gij dan niet te schromen,
‘k Bescherm u als mijn dierste schat,
Geen vijand kan daar bij u komen.

Maar zie, daar vliegt de vogel heen,
Dit alles kan hem niet bekoren,
Hij laat het lieve kind alleen,
En is dra uit ‘t gezicht verloren.

Vergelijking

Van Christus is dit kind een beeld,
De vogel ga ik vergelijken
Met zondaars, met het Woord bedeeld,
Doch die niet van hun wegen wijken.

Maar nu de doornen, wat zijn dat?
Wel, daar verstaat gij door de zonden,
Die hen omgeven op hun pad
En hen geduriglijk verwonden.

‘t Gezang, de spijs, de zonneschijn,
Waaraan des vogels zinnen hingen,
Dat moeten dan wel beelden zijn
Der ijdele en aardsche dingen.

De taal van ‘t kind, zo lief en zoet,
Om toch dien vogel maar te trekken,
Toont ons wat Christus al niet doet
Om zondaars tot Zijn dienst te wekken.

En dat de vogel henensnelt,
En toch niet naar het kind wil luist’ren,
Leert ons, dat ‘s werelds goed en geld
De zinnen gans en al verduist’ren.

John Bunyan (1628 – 1688)

Klik hier om alle natuurgedichten van John Bunyan in te zien.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *