Bunyan, John (1628 - 1688),  Gedichten,  Natuurgedichten

Van de vlieg bij de kaars

Wat scheelt die vlieg daar toch om met het vuur te strijden,
Weet zij niet, dat zij dan de nederlaag moet lijden?
Ga weg, gij domme vlieg! indien gij niet begeert,
Dat u de hete vlam de vleugelen verteert.
Maar ‘k zie wel, ‘t is vergeefs haar goede raad te bieden:
Zij heeft volstrekt geen trek om ‘t strijdperk te ontvlieden.
Eerst gonst zij om de kaars, en vliegt met alle kracht
Daarna er tegen aan, alsof zij had verwacht,
Dat deze vallen zou en zij zou overwinnen.
Ik raad u, vlieg! houd op, en wil u nog bezinnen.
Maar neen, het dwaze dier vernieuwt haar aanval weer,
Doch ‘t is vergeefs, ei zie, daar valt zij spart’lend neer.
Maar zij herstelt zich nog, en gaat herhaalde malen
De kaars bestormen tot haar hare krachten falen,
Doch zie wat er gebeurt: daar grijpt de kaars haar aan
En houdt haar vast totdat de vlam haar doet vergaan.

Vergelijking

De kaars, waar ik van spreek, zij is een zinnebeeld
Van ‘t Evangelielicht, waarmee ons God bedeelt;
Terwijl de vlieg u wijst op iemand, die met haat
Daartegen is vervuld en het dus wederstaat;
Totdat hij door dat licht ten laatste wordt verstrikt
En in ‘t verderf gestort, waar hem de vlam verstikt.

John Bunyan (1628 – 1688)

Klik hier om alle natuurgedichten van John Bunyan in te zien.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *