Brooks, Thomas (1608 - 1680),  Gedichten

Uitstel van de bekering afgeraden

Wijs Psalm 91

1. Die nu vermaak in zonden schept,
Wat roept gij morgen, morgen,
Daar gij toch heel geen morgen hebt,
En wilt u God niet borgen;
Wat morgen zijn zal weet gij niet,
Want wat is toch uw leven?
Een nietig niet, een nietig iet,
Een rookdamp haast verdreven.

2. De dood die kan u onverwacht
Afmaaien mett’ ‘er zeisen;
Gij dwaas men zal in deze nacht
Uw’ ziel van u afeisen.
Och! kon men dan met al zijn goed,
Een dag van morgen kopen!
Hoe vaardig zou men zijn tot boet,
En op geen morgen hopen.

3. Och! of in dezen uwen dag,
(Een dag, van uw’ in dezen),
Gij nu wist wat u dienstig mag
Tot uwe vrede wezen.
Ziet nu, de dag des heils is nu,
Ziet nu is ‘t, en niet morgen,
De aangename tijd voor u,
Om voor uw ziel te zorgen.

4. Leert nu dan uit het daag’lijks brood,
Dat gij voor ‘t lijf bid heden,
Hoe dat ‘er voor de zielennood,
Dient elke dag gebeden;
En tegen schuld en ‘t boze ‘t saâm,
En tegen het verzoeken,
Voor Godes wil, en Rijk en Naam,
Eerst en vooral te zoeken.

5. Niet morgen, morgen is het woord,
Des Geest’; maar heden, heden,
Terwijl Gij Zijne stemmen hoort,
En heil-gereden reden,
Uw’ harte niet verhard zo staâg,
En om dat zacht te kneden,
Vermaant elkand’ren alle daâg,
Zo lang ‘t genoemd wordt heden.

6. Opdat niet iemand onder u,
Door ‘t loos bedrog der zonden,
Verleid, verhard en worden nu,
Ziet toe tot allen stonden;
Dat nimmermeer gevonden werd,
In iemand van u allen,
Een boos en ongelovig hert,
Om van God af te vallen.

7. Weet dit voorzeker en gewis,
O dwaze ondervinder,
Die heden niet bekwaam en is,
Zal ‘t morgen zijn nog minder,
Gewoonte zal van uur tot uur,
U meer tot zonden werden,
En als een andere natuur,
Uw’ harde hert verherden.

8. Gij meent het is een lichte zaak,
Uzelven te bekeren;
Zoudt gij dan uwer moederspraak,
Zo lichtelijk verleren?
Zal ook een luipaard, zijne vlek,
Een Moor zijn huid verkeren,
Zo kunt gij goed doen die ‘t gebrek,
Gewend zijt aan te leren.

9. O grafbloem, die des morgens bloeit,
Des avonds afgesneden,
Dat heden is, en morgen gloeit,
In ‘t ovenvuur; dit heden,
Heeft aan zijn eigen kwaad genoeg,
En zijt dan tegen morgen,
Niet zo bezorgd, de morgen vroeg,
Zal voor het zijne zorgen.

Thomas Brooks (1608 – 1680)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *