Citaten,  James, John Angell (1785 - 1859)

Mijn vader!

Een goed ontwikkelde en beminnelijke jonge vrouw in een zekere stad, was erg verontrust vanwege het besef van het geestelijk gevaar waarin ze verkeerde. Ze was enig kind van een liefhebbende en toegewijde ouder.

De diepe indrukken waarmee het ontdekken van haar schuld en verdorvenheid gepaard ging, deden de jaloezie van de vader volledig ontwaken. Hij was bang dat de opgewektheid en de levendigheid in de huiselijke kring verloren zouden gaan. Hij schrok van de antwoorden die hij kreeg op zijn vragen, omdat hij een inbreuk voorzag of dacht te voorzien op de tot nu toe onafgebroken rust van een misleid hart. Er werden pogingen gedaan om de oorzaak van de onrust weg te nemen, maar het waren pogingen die door ongeheiligde wijsheid werden ingegeven. Tenslotte werden haar de Bijbel (hoe weinig kan een ouder de reikwijdte van zijn daad beseffen als hij het Woord des levens uit de hand van een kind rukt) ja, de Bijbel en andere godsdienstige boeken ontnomen en werden deze vervangen door romans. Een leuk uitstapje werd voorgesteld en afgeslagen en de uitnodiging tot een leuker tijdverdrijf eveneens. Beloften, verwijten en bedreigingen volgden.
Uiteindelijk boog het meisje voor de dwaze volharding van haar vader. Helaas, hoe weinig kan een ouder er zich van bewust zijn dat hij zijn kinderen uitdost met het lijkgewaad en hen offert als een volgeling van de Moloch! Het doel werd bereikt: alle gedachten aan godsvrucht en alle zorgen voor de eeuwige toekomst vervlogen.

Maar hoe barste de zeepbel van deze ijdele misleiding na minder dan een jaar uiteen! De bekoorlijk en vrolijke jonge vrouw werd geveld door de koorts en tegen deze koorts baatte de kundigheid van de artsen niet. Het was heel duidelijk dat de dood naderde en allen die haar verzorgden, keken bedroefd alsof ze de pijl van de dood al hoorden. Ik zie nu nog de blik waarmee deze stervende martelares van de dwaasheid naar haar vader keek. Het brekende oog was mat door de hopeloosheid en toch scheen er iets in het verduisterde licht van het oog te liggen, dat tegelijkertijd verwijt, tederheid en angst uitdrukte. En de stem (de toon was beslist, maar het was al een grafstem) zei: “Mijn vader! Vorig jaar zou ik de Verlosser gezocht hebben. Va–der–uw kind is—” De eeuwigheid hoorde de rest van de zin, want in de tijd werd ze niet meer geuit.

John Angell James (1785 – 1859)

One Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *