Anoniem,  Gedichten

Een plaatsje in Gods Huis

Op zondag, de dag des Heeren, kan ‘k Zijn huis niet binnengaan.
Heere, wil mij thuis dan leren d’ oorzaak van dit al’ verstaan.
Waarom zijn de deuren dicht? Is Uw volk verstrooid, verdreven?
Geef mij, Heere, ‘t recht gezicht op de oorzaak; doe mij beven!

Goedertieren is de Koning; ‘t Woord mag klinken overal.
In een kamer van onz’ woning wijst God op ons diep verval.
‘t Zijn de zonden van ons hart die tot toorn Hem moesten dwingen.
Toch wil Hij nog in de smart met Zijn goedheid ons omringen.

Heden mocht Zijn Woord nog klinken; ‘t Offerlam in ‘t midden staan.
Dat we toch verwonderd zinken voor de Heer’, Hem bidden aan.
Gij steld’ ons de Borg nog voor Die de vloek Uws volks wild’ dragen.
Geeft ons toch een open oor in de bangheid van de dagen.

Heer’, doe ons met onze zonden toch tot U ootmoedig gaan.
Wilt Gij toch in Christus wonden ons verzoening brengen aan.
Christus ging de weg naar ‘t kruis, heeft de pers alleen getreden.
Volk van God, u gaat naar Huis, omdat Jezus heeft geleden.

Mocht in de woestijn van ‘t leven in dit aardse jammerdal,
ons een plaats worden gegeven, in Gods huis, dan ‘t wezen zal
Een wonder, zo diep verbeurd; ‘t recht op een plaatsje verloren;
In deez’ smeltkroes zijn gekeurd. ‘Heere, neig toch Uwe oren’.

Mocht de vrucht van Uwe slagen in Uw huis worden gezien.
Dat door Uw hand ‘t welbehagen, g’lukkig voortging, onverdiend.
Dat Uw Kerk is uitgebreid; Uw volk, gezift op de zeven,
satans pogingen ten spijt, eeuwig d’eer U moge geven!

Anoniem

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *