Anoniem,  Gedichten

De gravin van Hannover

Er woonde te Hannover
een schone landgravin,
omringd door pracht en weelde
van ijdele wereldzin.

Van feesten en partijen
weergalmt het graaflijk slot.
Maar wié er ook geëerd werd,
’t was niet der goden God!

Totdat een zware ziekte 
haar neerwierp; giften koorts.
Die brandt, sluipt haar door d’ aad’ren.
Flauw vlamt haar levenstoorts.

“Ik wil, ik wil niet sterven!
O dokter, help mij toch;
‘k Zal u met goud belonen,”
zo krijt en roept zij, “och,
‘k ben pas dertig jaren.
‘k Heb macht, ‘k ben rijk en schoon.
‘k Zal vorst’lijk u belonen
als met de graven kroon.”

De trouwe grijze lijfarts
ziet op ’t betraand gelaat.
“O vrouw, al kon ‘k u helpen,
geen medicijn dat baat.

Maar wendt u tot den Heere.
Hij helpt en redt in nood.
Misschien wil Hij genezen.
Zijn goedheid is zeer groot.”

Eerbiedig knielt hij neder
voor ’t prachtig ledikant.
En gaf den landgravinne
gelovig in Gods hand.

“Ik wil, ik wil niet sterven!,”
klonk zelfs onder ’t  bidden door,
“ik wil, ik wil niet bidden,
God geeft toch geen gehoor.

Och, als Hij waarlijk God was, 
dan hoorde Hij mijn beê.
Werp, dokter, ál uw fabels
toch met uw hoop in zee!”

De grijsaard spreekt verslagen:
“Uw stervensure naakt.
Hoe zal het dan strakts wezen,
als weer uw stof ontwaakt?”

“Daal ik in ’t graf terneder,
het geeft zijn dode niet.
Onschendbaar zal het wezen,
door ankers en graniet.

De zerk die mij moet dekken,
licht God noch sterv’ling op!
Geen hand is er zo machtig
die me uit mijn grafrust klopt.”

Zo sprak zij in haar woede.
En vloekend ging zij heen.
En ’t graf werd dichtgeklonken,
Door ankers, steen op steen.

En ’t opschrift werd gebeiteld:
‘Dit graf blijft eeuwig toe.’
Kom, gaan wij naar Hannover,
dan zien wij ’t graf, maar hoe?

De zerk is opgeheven.
Niets dat de gaping sluit,
zelfs d’ ankers zijn er uit.
Heeft God de aard’ doen scheuren,
de bliksem ’t graf vernield?
Neen! ’t Was een kleine vogel
wiens bekj’ een korrel hield.

Toen de hardsteen werd geklonken,
viel ’t zaadje in de zerk.
Ontkiemde in ’t graf de stengel.
Zocht licht en werd een berk.

De stage groei des booms nu
wrong steen en anker los.
Zo werd het graf geopend,
naar honderdjarig dos.

Roept thans de berk ons tegen:
Geen raadslag tegen God.
Ziet hoe een kleine korrel,
des mensen trots bespot.

Beschaamd is die hun Maker
ter honen die ’t vermat
Ook hen gaat ’t graf eens open
hij vatt’ het die het vat!

Anoniem

De inhoud van bovenstaand gedicht is een waar verhaal. De goddeloze gravin van Hannover, Henriëtta Juliane Caronine Vonruling werd in 1756 geboren en stierf te Hannover in 1782. Op haar graf liet zij behalve haar naam ook nog de woorden beitelen: “Dit graf is door mij gekocht voor de eeuwigheid en niemand mag het ooit openen.”

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.